Review: Buck-Tick – No. 0

Buck-Tick is sinds de release van ‘Juusankai wa Gekkou’ (2005) aan een tweede jeugd bezig en eerlijk gezegd bevalt die mij veel beter dan hun eerste. Niet dat Buck-Tick in hun hoogtijdagen geen goede muziek maakte; ‘Aku no Hana’ (1990) en ‘Kurutta Taiyou’ (1991) zijn fantastische albums. Maar zo stabiel als de visual kei-pioniers zich sinds 2005 tonen zijn ze nooit eerder geweest.

Dat jaar was een keerpunt, omdat de band uit Gunma toen de drukke industriële producties van de jaren ervoor van zich af schudde en zich ging richten op de dingen waar ze echt goed in zijn: pakkende rockliedjes schrijven en deze energiek uitvoeren. Op ‘Arui wa Anarchy’ (2014) en ‘Atom Miraiha No. 9’ (2016) doken de elektronica en de samples weer op, maar subtieler dan voorheen en veel meer als onderdeel van de composities in plaats van de producties. Dat houdt in dat ze dit keer een deel zijn van de melodieën en de structuren en er niet als een laag bovenop gegooid zijn.

Deze lijn wordt op het nieuwe ‘No. 0’ voortgezet, al zijn de synthesizers, samples en elektronica dit keer wel wat prominenter. De uitstekende eerste single Babel wekte de indruk dat Buck-Tick weer wat meer de gothic-kant op zou gaan, maar ‘No. 0’ staat opnieuw bol van de pakkende rocksongs met een elektronische onderlaag. Als geheel is ‘No. 0’ nét iets minder dan ‘Atom Miraiha No. 9’, maar Buck-Tick verdient alle bewondering die ze kunnen krijgen vanwege het feit dat ze 35 jaar na hun oprichting nog zo’n frisse, geïnspireerde rockplaat kunnen maken.

 

Piek

Hoewel de elektronische geluiden een stempel op ‘No. 0’ drukken, wordt het nergens té prominent, al had de ballade Moon Sayonara wa Oshiete waarschijnlijk beter geklonken met een wat meer organisch geluid en is de electrorocker Gustave met zijn dance-achtige passages op het randje. Toch heeft laatstgenoemd nummer te veel pakkende momenten om het een misser te noemen. Baraido Juujidan -Rosen Kreuzer- is opvallend, omdat hij geschreven is door Hidehiko Hoshino; meestal is zijn aanpak wat traditioneler medegitarist Hisashi Imai verantwoordelijk voor de meer elektronisch getinte, dissonante nummers.

Verder valt het op dat de beste nummers op het album voor een groot deel gegroepeerd staan. Met Salome -femme fatale- begint een drie nummers durende piek op het album. Het nummer heeft een spannende opbouw en een grandioze climax. Direct daarop volgt de melancholieke semiballade Ophelia. Nu is de stem van Atsushi Sakurai sowieso de belangrijkste reden dat Buck-Tick beter is dan veel vergelijkbare bands, maar juist op een donkere ballade als Ophelia krijgt zijn diepe, emotionele stem uitgebreid de ruimte om te excelleren. Het navolgende Hikari no Teikoku profiteert optimaal van de wisselwerking tussen de drukke coupletten en het meer open, bijna U2-achtige refrein.

Later doet Babel zijn intrede en word je er nog eens aan herinnerd hoe sterk Buck-Tick op zijn meest gotisch is. Die lijn zet zich daarna door op Guernica no Yoru, een minimalistische, sombere ballade waarin Sakurai wederom op zijn best is en waarvan het refrein wederom grandioos is. Het contrast met Tainai Kaiki kon niet groter; dat nummer sluit ‘No. 0’ op een opvallend positieve wijze af.

 

Gevaarlijk

De aanwezigheid van die twee pieken betekent natuurlijk niet dat er verder niets te genieten is aan ‘No. 0’. Bisshu Love is een stampende rocker die bol staat van de voor Buck-Tick zo typerende erotische bravoure, terwijl Reishiki 13-gata “Ai” het soort gevaarlijke, broeierige opener is dat alleen maar aan het brein van Hisashi Imai kan ontspruiten. Goed, hij haalt het niet bij de slepende spanning van cum uh sol nu -Fresco no Besshu- van ‘Atom Miraiha No. 9’, maar dat was dan ook een absoluut meesterwerk. Reishiki 13-gata “Ai” moet het meer van zijn bijna militaristische ritmes hebben.

Tussen de twee pieken in vinden we overigens ook twee tamelijk agressieve cyberpunknummers van Hisashi Imai: Nostalgia -Vita Mechanicalis- en Igniter. Dit lijken twee goedmakertjes voor fans met een voorkeur voor jaren negentig Buck-Tick, maar feit is dat het wel overtuigend gebracht wordt. Beide nummers zouden het heel goed doen als intronummer bij een sci-fithriller.

 

Constanter

Op hun 21e album laat Buck-Tick horen dat ze nog lang niet klaar zijn met het in elkaar zetten van sterke rocksongs en prachtige ballades. Tijdgenoten van het vijftal brengen albums uit die het niet halen bij hun hoogtijdagen, als ze het niet al opgegeven hebben of al jaren een nieuw album beloven. Alleen daarom verdient Buck-Tick al ieder compliment dat je ze kunt geven. Bovendien vind ik zelf dat hun albums tegenwoordig van een veel constanter niveau zijn dan vroeger.

En over Atsushi Sakurai kan ik kort zijn: wat een geweldenaar. Hij is altijd al een van de betere zangers in de Japanse rockscene geweest, maar het lijkt wel alsof hij met de jaren steeds beter wordt. Voor sommige mensen is het misschien jammer dat het onschuldige randje van de eerste paar albums eraf is, maar feit is dat er maar weinig Japanse zangers zijn die zo goed de kracht van een trieste ballade kunnen dragen als Sakurai.

‘No. 0’ is verschenen in vier verschillende versies. Allereerst de cd-versie met alleen de 13 nummers van het album. De andere drie versies bevatten de videoclips van Bisshu Love, Ophelia en Igniter op dvd, Blu-Ray of zelfs als virtual reality-video’s met bijgeleverde viewer.

 

Kevin is altijd op zoek naar de beste muziek van over de hele wereld. Hij is altijd benieuwd naar de drijfveren van de muzikanten die erachter zitten en verdiept zich er graag in. Voor de The Sushi Times schrijft hij over de tofste Japanse bands maar wil je meer lezen? Kijk dan ook op zijn eigen site kevymetal.wordpress.com!

Laat ons horen wat je te zeggen hebt!

Close